Jij hebt een dochter ==> Het is jouw dochter

Jullie hebben een huis ==> Het is jullie huis

Zij heeft een jas ==> Het is haar jas

Zij hebben een telefoon ==> Het is hun telefoon

U hebt een appartement ==> Het is uw appartement

Ik heb een auto ==> Het is mijn auto

Wij hebben een boek ==> Het is ons boek

Hij heeft een computer ==> Het is zijn computer