Nazeggen-cümle tekrarı


Ik heb een nieuwe fiets en een oude

Heb je een pen bij je?

Bent u getrouwd?

Zou je dat wel willen ?

Hoe kon dat zo gebeuren?

Ik denk dat het bijna twaalf uur is.

Pas op! Voorzichtig!

Zij kunnen heel goed zwemmen.

Hoe zag hij eruit?

Wat voor mensen doen zulke dingen?

Deze korte broek past niet,

Ze had een erg litteken op haar gezicht

Ik schaamde me zo toen ik het antwoord niet wist.

Ze zouden een paraplu hebben moeten meenemen.

Ik had niet zo laat naar bed moeten gaan.

Ik was vaak te laat op mijn werk.

Mag ik u enkele vragen stellen?

We moeten het wat rustiger aan gaan doen.

Welke kant gaan we op vanaf hier?

Kunt u mij vertellen hoe laat het is.

U gaat bij de volgende stoplichten linksaf

Ik moet nog even boodschappen doen.

Doe je het licht uit als je weggaat ?

Ik hoop niet dat het straks gaat regenen

Kijk naar het woord

Let op je rug

Hij vraagt de juf om hulp

Blijf op je plaats zitten

Wijs het woord maar aan

Hij trekt zijn trui uit

Het boek gaat over een reus

Dat is in orde

Hassan komt uit marokko

Wat is er aan de hand?

De klok loopt goed

Heb je je tong verloren?

Hij loopt op zijn tenen

Wij hebben zin in een spelletje

Hij heeft genoeg van die melk

Karin pikt iets van mijn bord

We gaan aan tafel

Ik hou mijn zusje in de gaten

Jij loopt me altijd voor de voeten

Dat gaat per ongeluk

Ga op je hurken zitten

Niet met volle mond praten

Hoeveel kost dat? Weet ik veel

ik kom zo snel mogelijk

Ik heb kou gevat

De telefoon is in gesprek

Tien tegen 1 dat we winnen

Je moet niet zo uit je slof schieten

Wat voeren jullie daar uit?

Ik ben mijn stem kwijt

Hij passeert mij met een rotvaart

Ik wil je wens vervullen

Het zal me een worst wezen

Jij kan dat mooi in je zak steken

We hadden er geen erg in

Petra is gek op zuurkool

Je weet wel zo een kleine computer

Ik ben aan een kopje koffie toe

Ali viel in slaap, hij was erg moe

De bananen kosten 50 cent per stuk

Ik hou van deze muziek. Ik vraag deze plaat aan.

Ik bestel een spijkerbroek uit de catalogus

Mijn vrouw past op de kinderen

Mijn vriendin woont om de hoek

Hij heeft trek in een broodje

Zit toch niet zo te zeuren

Volgens mij heeft hij een oogje op je

De toetsen staan voor de deur

Jan krijgt geen genoeg van zwemmen

Hij heeft zin in een biertje

Je moet hem ’s morgens met rust laten

Zij houdt haar broertje voor de gek

Ik hou hem in de gaten

Het ergste is nu achter de rug

Marjolijn heeft het fietsen onder de knie

Els doet de tuin voor haar plezier

Morgen moet hij op voor het examen

Kees heeft verstand van computers

Mijn moeder is op leeftijd

Mijn buurman is rond de vijftig

Zijn oom ligt op sterven

Mijn zoontje was in tranen

Resa woont op kamers

Ik ben zeker van mijn zaak

Ik ben trots op mijn zoon

Ik heb geen tijd voor grapjes

Hij heeft geen trek in kaas

Ik heb genoeg van school

Ik maak me zorgen over haar

In geval van nood moet je 112 bellen

Een ander huis zoeken is voor later zorg

Dat komt goed uit

Dat komt voor elkaar

Ze zoeken weer ruzie

Daar heeft u gelijk in

De vakantie is achter de rug

Wie A zegt moet ook B zeggen

Hij zit op zijn geld

Hij gelooft zijn ogen niet

Zij zitten met hun handen in het haar

Je kunt geen ijzer met handen breken

Eens even op de klok kijken

Zij gaan de bloemetjes buiten zetten

Mijn zussen praten over ditjes en datjes

Opschieten! Tijd is geld

Wij zijn vrienden door dik en dun

Jij stond voor aap

Ik doe het voor de grap

Je hebt groot gelijk

Dat grapje loopt uit de hand

Hij houdt alles voor zich

Ik doe er wel een papiertje om

Sorry ik kan nooit op dinsdag

Er komt nog vijftien euro kosten bij

Mijn auto is in goede staat

Ik leer Nederlands voor mijn plezier

Ze geeft hem altijd de schuld

Ze zoeken weer ruzie

Waar is dat goed voor?

We moeten haast maken

Tot nu toe heb je niets fout

Pas goed op je broertje

Kijk uit voor de hete thee

Blijf op je plaats zitten

Sam ruimt zijn kamer op

Ga je mee naar buiten?

Merel trekt haar sok aan

De ruzie gaat over een gum

In de herfst vallen de bladeren van de bomen

Het is erg koud in de winter

Peter speelt op school altijd in de zandbak

Om twaalf uur is het tijd om naar huis te gaan

De verjaardag van Niels wordt altijd gevierd

Bij de gemeente kun je je paspoort ophalen

Op zondag zijn bijna alle winkels gesloten

Als je iets niet weet dan moet je het vragen

In de zomer gaan veel mensen op vakantie

Het is erg belangrijk om Nederlands te leren

Ik hou van spelletjes spelen op de computer

Ik fiets elke dag ongeveer een uur

Mijn moeder kan niet tegen schelden

Zij komt uit een grote familie

Vind jij dat ook niet vervelend?

Soms kan je beter zwijgen dan praten

Hij is een gevoelige jongen

Haar vader heeft al 25 jaar hetzelfde beroep

Ik ben niet van plan om te stoppen met leren

Als iets ingewikkeld is dan is het moeilijk

Karim kijkt graag naar de Nederlandse televisie

Ik trek vandaag mijn spijkerbroek aan

Haar lievelingskleur is donker blauw

Ik heb een poes als huisdier

Spreken is zilver en zwijgen is goud

Mijn opa en oma wonen bij mij in de buurt

Ik speel met mijn neefje in de speeltuin

Jan is liever buiten dan binnen

Ik heb geen trek in limonade

De meester denkt er nog over na

De jongen schopt de bal in het doel

Ik ben goed in dictee en rekenen

In het buitenland schijnt de zon vaker dan in Nederland

Ik woon samen met mijn familie in een dorp

Iemand die veel geld heeft is rijk

Het is maar hoe je het bekijkt

Het zou fantastisch zijn als je mee gaat

Als ik op reis ga neem ik mijn koffer mee

Ik spreek mijn vriend elke dag

Een papegaai houdt van nazeggen

Ik werk met vijftig man op 1 afdeling

Op de basisschool zitten kinderen tot 12 jaar

Sander houdt niet van voetballen

Ik ben erg op hem gesteld

Wie niet waagt wie niet wint

De kinderen hebben een schoolplein om op te spelen

Mariam gaat het liefst elke dag winkelen

Peter doet 1 keer per week boodschappen

Vandaag heb ik anderhalve kilo paprika gekocht

Daar kopen we vis en vlees

Die vind ik in de supermarkt veel te duur

Wil je een brief versturen?

Je moet daarvoor op het postkantoor zijn

Wil je geld opnemen of een pakje versturen?

Ik woon in het centrum van de stad

Dat is heel wat sneller dan met de auto

Onze kinderen hebben nog 1 oma

Ze woont in een huis voor oude mensen

Naar welke school gaat uw kind na de basisschool?

Ik wil graag politieagent worden

Nederland heeft de dichtste bevolking van Europa

Er wonen veel mensen in mijn land

Je kunt ook telefonisch een afspraak maken

De huisarts heeft elke dag tot tien uur spreekuur

Ik ga lopend naar de bakker

Ik draag niet graag een zware tas

1 zoon woont nog bij ons thuis

Ik studeer samen met mijn vrienden in dezelfde stad

Op woensdagmiddag zijn de schoolkinderen vrij

Er zijn hier drie of vier opleidingen

De gemeenteraad noemen we het parlement

Iedereen kiest zelf een opleiding

Wat was het resultaat van zijn toets?

Op mijn school zitten 1200 leerlingen

Mijn moeder brengt mij elke dag naar school

We hebben geen eigen keuken en badkamer

Toch is mijn tas soms aardig vol

Wanneer ik zware dingen koop ga ik op de fiets

Hier vult u uw persoonlijke gegevens in

Uw bankpas sturen wij via de post

Ik begrijp het formulier niet helemaal

Op zaterdag gaan we altijd naar de markt

Koop je daar ook kleren en schoenen?

Zulke dingen kopen we in een groot warenhuis

Mijn man en ik houden erg van paprika

Daar krijg je betere kwaliteit en tegen een goede prijs

Je kunt geld storten op een rekening

Voor al die dingen kunnen we op het postkantoor terecht

U krijgt over een paar dagen bericht

Ik ben erg sportief aangelegd

Die vertrekt elk half uur vanuit Rotterdam

Waar koop je een kaartje voor de trein?

Dat kan bij het loket of bij de automaat

Onze dochter is al 15 jaar getrouwd

Mijn oma is 85 jaar. Ze is dus heel oud

De jongste kinderen zitten in groep 1

Mijn zusje van vier gaat naar de crèche

In Nederland gebruiken we elke meter land

Elke plaats is makkelijk te bereiken

Laagland betekent dat er geen bergen zijn

Utrecht heeft ook een dichte bevolking

Je zoekt dan in je portemonnee klein geld

Kleine dingen betaal je meestal contant

Je geeft het energiebedrijf een machtiging

Je kunt het beste automatisch betalen

Het energiebedrijf betaal ik per twee maanden

Het geld komt op de rekening van het bedrijf

Ik werk vijf dagen per week, acht uur per dag

Mehmet gaat naar de groenteman. Hij koopt appels

Saida zit op school. Ze leert Nederlands.

Zeki gaat voetballen. Hij is lid van een voetbalclub.

Opa gaat naar Amsterdam. Hij gaat naar het consulaat.

Moeder doet boodschappen. Ze koopt rijst en groente.

De kinderen hebben vrij. Ze hoeven niet naar school.

De appels zijn hard. Ze zijn nog niet rijp.

Het schrift is gevallen. Het ligt op de grond.

Het pakje is zwaar. Het weegt 5 kilo.

Tante Truus komt morgen. Ze is erg aardig.

De eend zwemt lekker in het water.

Het vliegtuig landt op het vliegveld.

Kees heeft een tien voor de repetitie.

Ik spaar mijn geld op voor een brommer.

Hij rookt wel twintig sigaretten per dag.

Hein haalt suiker en snoepjes bij de supermarkt.

Dan hoort hij de stem van zijn vriend achter zich.

In Turkije zwemmen de jongens in de rivier.

De koopman weegt de appels met een weegschaal

De soldaten vechten tegen de vijand.

De leerlingen schuiven de stoelen onder de tafels

Het kind zuigt de limonade door een rietje

Wij hebben vanmiddag in het bos gewandeld

Vorig jaar zijn we naar Marokko gevlogen

Ik geef dit boek aan jou

Het schilderij hangt aan de muur

We zitten aan tafel

Hij studeert aan de universiteit

Wie is er aan de beurt?

Ik ben eindelijk achter de waarheid gekomen

Achter deze zin komt een punt

Mijn vader is achter in de vijftig

Ik logeer bij mijn oma

Deze rechthoek is vier bij vijf centimeter

Bij uitzondering hebben we vandaag geen huiswerk

Ze gaan met de hele familie naar Turkije

De trein naar Parijs vertrekt van perron 4

De supermarkt is om de hoek

Zij kon bijna niet wachten tot de week om was

We gaan om de beurt met de auto

Naar mijn mening wordt niet gevraagd

Jan doet soms suiker door de soep

Ik ga altijd door de week een keer zwemmen

Sommige leerlingen wonen buiten de stad

Ik neem een aspirine tegen de hoofdpijn

Dit boek gaat over de geschiedenis van Amerika

Het vriest vannacht

Neem jij wat geld mee?

De inbreker steelt het geld uit de kluis

Wij zien het vliegtuig hoog in de lucht

Mijn ouders zijn met vakantie naar Marokko

Mijn zusje vouwt de was op

De leerlingen lachen om de grap van de leraar

Ik heb een mooie foto van mijn vriend

De timmerman meet de lengte van de balk

De muizen vreten van de kaas

De tuinman graaft een kuil voor een nieuwe boom

Hij bidt vijf keer per dag

Ik raad naar het goede antwoord

Han wordt dokter in India

De politie brengt haar naar het ziekenhuis

Peter vindt een briefje van tien euro

De koopman weegt de appels met een weegschaal

De hond kan hard blaffen

De kinderen vinden sinaasappels lekker

We gaan vandaag ons huiswerk maken

Is dat huis te koop of te huur?

Je moet onder aan de bladzijde kijken

Wanneer kom je nu eens op bezoek?

De dief ging de politie met een mes te lijf

Amerika voetbalt vanavond tegen Marokko

Hoeveel verdien jij per uur?

Op donderdag heb ik pianoles

Dit boek gaat over de geschiedenis van Amerika

Het kind kwam onder een auto

Ik woon naast de drogist

Binnen een uur waren we klaar met de repetitie

Ik logeer bij mijn oma

Het fietsenhok is achter de school

Voorin de school is de kamer van de directeur

Sommige leerlingen wonen buiten de stad

De lift is buiten werking

Door deze straat kom je bij het station

Ik ben klaar met mijn werk

We waren blij toen we naar huis mochten

Het heeft vandaag hard geregend

Ik doe de afwas nadat we gegeten hebben

Hij herinnert zich de naam van dat meisje niet

Ik vind gekookte eieren lekker

Er loopt een fluitende jongen in de gang

Een citroen is zuurder dan een sinaasappel

De prijs van kool is hoger dan een week geleden

De leraar engels is vandaag niet op school

Mijn zusje huilt bijna elke dag

De leerlingen blijven op deze scholen

De leraar engels is vandaag niet op school, hij is ziek

Mijn opa en oma wonen in Turkije

Ik hoor de wekker niet tikken

Hij geeft het boek terug aan zijn leraar

Peter vergeet zijn jas aan te trekken

De chauffeur vraagt om in de bus niet te roken

Ik ga morgen met mijn vader naar Amsterdam

Ik durf niet in het water te duiken

Hein haalt suiker en snoepjes in de supermarkt

De meester veegt het bord schoon

Ik verdien geld met een krantenwijk

Het kind ligt op de grond te tekenen

Ik ben in Marokko geboren, maar ik woon er niet meer

Wij hebben een mooie tuin met bloemen

Hoeveel mensen heb je uitgenodigd?

In die school wordt vanmiddag een feest gegeven

De kinderen komen vanavond bij ons eten

Mijn oom uit Canada komt dit weekend op bezoek

Dit zijn eieren van onze kippen

De hond schrok van het vuurwerk

Je moet geen oude koeien uit de sloot halen

Dit boek bestaat uit drie delen

Waarom zeg je niets?

De vogel vliegt door de lucht

Wanneer hebben we vakantie?

Ali mag met zijn vader mee naar schiphol

Ik kan al wat Nederlands lezen

Jij gaat morgen naar de dokter

De bel gaat om acht uur

Die school is erg groot

Jullie hebben goed gewerkt

De Amerikanen reizen naar de planeten

Mijn broertje en ik gaan naar de Kermis

De kinderen zingen een lied

Mijn vriend wacht buiten op mij

Wij vinden die man niet aardig

Haar vader is boos op de kinderen

Mevrouw Jansen gaat naar de tandarts

Die potlood is van hem

Wij hebben een klein huis gekocht

Ik was gisteren mijn boek vergeten

Ik breng mijn fiets naar de fietsenmaker

Mijn ouders gaan op bezoek bij de buren

Lisa heeft ruzie met haar oudere broer

Jij moet je bord leeg eten

Op de markt koopt zij altijd sinaasappels

Marianne is een meisje. Ze is twaalf jaar

De leraar geeft veel huiswerk.

Ik kan een beetje Nederlands schrijven

De treinen rijden naar die steden

Jullie vinden die boeken niet mooi

Ik praat liever niet tegen hem

Mijn sleutels liggen nog thuis

Mijn vader werkt bij de supermarkt

Wij krijgen morgen een examen voor wiskunde

Een bromfiets rijdt snel maar een motor rijdt sneller

Van al mijn vrienden is John de aardigste

Chinees is moeilijker dan Nederlands

De meester komt om negen uur op school

De jongens gaan vanmiddag voetballen

Jan staat naar de televisie te kijken

Wij proberen geen fouten te maken

We beginnen steeds in onze eigen taal te praten

De lerares belooft op bezoek te komen

Je hoeft bij deze dokter niet te wachten

Wij zitten gezellig samen te kletsen

We hebben in februari een week vakantie

We moeten morgen om drie uur bij de tandarts zijn

In Indonesië is het altijd warm

Mijn tante uit Amerika komt overmorgen

Het is niet waar wat je zegt!

Iedereen wil in augustus op vakantie

Hij is vandaag laat thuis gekomen

Fred moet deze week de boodschappen betalen

Heb jij dat gebouw zien afbranden?

Hij heeft een brief zitten schrijven

De zanger mag met een orkest optreden

Het ligt op de grond te tekenen

Ze zeggen dat geduld wordt beloond

Lag je tot negen uur te slapen?

U moet doorlopen tot aan het stoplicht

De tuinman heeft de planten verplaatst

Mijn vader heeft gisteren mijn haar geknipt

De tandarts heeft twee kiezen getrokken

Ze eten in Nederland veel aardappelen

Je mag in de bus niet roken

De fabriek ontslaat een aantal arbeiders

In Indonesië verbouwen ze veel rijst

Een auto rijdt een man aan

Ik beloof je morgen te bellen

Wat zou je doen als je rijk was?

De krant geeft commentaar op het nieuws

Ben je bang voor die grote hond?

De mens bestaat voor 70% uit water

Denk je aan je huiswerk?

Ik ben in het bezit van een nieuwe fiets

Hij is heel erg boos op zijn broer

Mijn ouders zijn erg gelukkig met elkaar

Henk zit steeds naar Tineke te gluren

De oude dame past op haar kleinkinderen

Hij lijdt aan een ernstige ziekte

Ik hoop op een goed cijfer

Die jongen is erg handig met naald en draad

Ik ben er niet in geïnteresseerd

Het is opgehouden met regenen

De studenten zien tegen de professor op

Bij dat ongeluk is hij aan de dood ontsnapt

Wij strijden voor een beter milieu

Ik schaam me voor mijn vuile handen

Het meisje leeft gescheiden van haar ouders

Hij is geslaagd voor zijn rijexamen

Oorlog is het tegenovergestelde van vrede

Ik reken op je hulp

Dieren vechten vaak met elkaar

Ik heb mij door vrienden laten verleiden tot gokken

Hij wordt verdacht van diefstal

De leerlingen barstten in lachen uit

Deze straat komt uit op het stationsplein

Ik ben niet tevreden met dit cijfer

Ik ben bezig met het schilderen van mijn huis

Sarah is blij met haar goede rapport

De regering heeft de uitkeringen verhoogd

Die jongens hebben ons bestolen

Onze flat kijkt uit op de markt

Zijn vrouw had voorkeur voor een huis buiten de stad

Veel mensen vluchten voor oorlogsgeweld

Mijn vriend is gek op speelfilms

Sommige mensen keuren dat gedrag niet goed

Ik twijfel aan de waarheid van dit verhaal

Nederland en Duitsland hebben tegen elkaar gevochten

Op de fiets moet je uitkijken voor auto’s

De rijke man deed zich voor als een bedelaar

We kijken uit naar de vakantie

Het meisje was trots op haar nieuwe schoenen

Ik heb trek in een loempia

Voor je vriend moet je opkomen

Zij heeft veel invloed op haar vriendin

Waar kijk je naar?

Je moet je niet met die jongen inlaten

Mijn moeder houdt veel van bloemen

Zullen we samen naar de bioscoop gaan?

Dat schilderij herinnert mij aan vroeger