Üyeliğinizle ilgili bir sorun yaşıyorsanız ufoss@dilogren.com adresinden bize ulaşabilirsiniz.
Dilogren.com Forum Arşivi
Hollanda • Yabancı Dil • Eğitim • Yaşam Arşiv: 2021 ve öncesi
Sponsorlarımız

ORNEK NT 2 STAATSEXAMEN II SORULARI..

Yorum için giriş yap 2 mesaj · 6.547 görüntülenme
===============STAATSEXAMEN II===============


SCHRIJVEN(YAZMAK) SORULARI==>


Schrijven A


Hier komen eerst acht korte tekstgedeelten. In elk tekstgedeelte is een hele zin of een deel van een zin weggelaten.

Schrijf op de lijnen een zin of een deel van een zin. Wat u opschrijft, moet goed passen bij de andere zinnen van het tekstgedeelte.

Er zijn verschillende mogelijkheden voor een goed antwoord.


Twee voorbeelden


Voorbeeld 1:

Volgend jaar is er weer een filmfestival in Rotterdam.

..........

Daarom heb ik nu al toegangskaarten gereserveerd.


Antwoord:

Volgend jaar is er weer een filmfestival in Rotterdam.

Dit jaar kon ik er niet naar toe, omdat het uitverkocht was.

Daarom heb ik nu al toegangskaarten gereserveerd.


of:

Volgend jaar is er weer een filmfestival in Rotterdam.

Ik wil het zeker niet missen.

Daarom heb ik nu al toegangskaarten gereserveerd.


Voorbeeld 2:

Het inkomen van de mensen is de laatste jaren lager geworden.

Autorijden is de laatste jaren een stuk duurder geworden.

Toch .........


A ntwoord:

Het inkomen van de mensen is de laatste jaren lager geworden.

Autorijden is de laatste jaren een stuk duurder geworden.

Toch is het aantal autobezitters niet kleiner geworden.


of:

Het inkomen van de mensen is de laatste jaren lager geworden. Autorijden is de laatste jaren een stuk duurder geworden. Toch worden er ieder jaar meer auto's verkocht dan het jaar daarvoor.


Vul de zinnen op de volgende bladzijden op dezelfde manier aan.

Voordat .......... moet u eerst een ondertekend inschrijfformulier aan ons opsturen.

De gemeente heeft plannen om alle huizen in die straat te slopen, hoewel ..........

Personen die ouder zijn dan 60 mogen meedoen aan de hardloopwedstrijd, mits ..........

Het autogebruik moet op korte termijn aanzienlijk worden teruggedrongen. Als we zo doorgaan, ..........

De brandweer heeft ons bedrijf nieuwe voorschriften gegeven voor de brandveiligheid. De .......... aanleiding hiervoor was ..........

Mocht u niet in staat zijn bijgevoegde rekening voor de aangegeven datum te voldoen, ..........

Schrijven B


1. Problemen in de gezondheidszorg


In de gezondheidszorg in Nederland is een enorm gebrek aan personeel. Dit heeft grote gevolgen voor de kwaliteit van de zorg in Nederland. In sommige onderzoeken wordt gesteld dat, om in de toekomst voldoende personeel te hebben, de helft van alle schoolverlaters voor een opleiding in de gezondheidszorg zou moeten kiezen!


Opdracht Schrijf een samenhangende tekst van 150-300 woorden over het personeelsgebrek in de gezondheidszorg. Ga in op de gevolgen van het personeelsgebrek voor bijvoorbeeld de maatschappij, de patiënten en het personeel zelf. Bedenk ook maatregelen om meer mensen te laten kiezen voor een opleiding in de gezondheidszorg.


LEZEN (OKUMAK) SORULARI==>


Deze tekst komt uit een folder voor studenten. De tekst gaat over de mogelijkheden om geld aan te vragen om te gaan studeren of stage te gaan lopen in het buitenland.


'Erasmus', voor studie in het buitenland


Het programma Erasmus (European Community Action Scheme for the Mobility of University Students) van de EG heeft als belangrijkste doel de mobiliteit van studenten binnen de Gemeenschap te bevorderen. Erasmusbeurzen zijn beschikbaar sinds het academisch jaar 1987-'88. Ze worden toegekend voor studie aan een hogeschool of universiteit in een andere EG-lidstaat.

Voor Nederland was in het studiejaar 1990-'91 bijna 4 miljoen gulden beschikbaar voor studenten die tijdelijk in het buitenland wilden studeren.

Erasmusbeurzen worden verstrekt aan onderwijsinstellingen, vakgroepen of afdelingen die met één of meer Europese partners een uitwisselingsovereenkomst hebben gesloten. Die verdelen het toegekende bedrag vervolgens onder hun studenten.


Voor wie?

Universiteiten en hogescholen verstrekken beurzen aan studenten die in het kader van een Erasmus-uitwisseling een aantal maanden in het buitenland gaan studeren. Eerstejaars komen niet in aanmerking. Let wel: de onderwijsinstelling selecteert uiteindelijk de studenten die een beurs krijgen.


Hoe lang kun je naar het buitenland?

De lengte van een buitenlandse studieperiode verschilt per uitwisselingsovereenkomst, die universiteiten of hogescholen hebben afgesloten met EG-partners. Erasmusbeurzen worden verstrekt voor een studieperiode variërend van drie maanden tot een academisch jaar.


Hoe hoog zijn de beurzen?

De hoogte van een Erasmusbeurs is ondermeer afhankelijk van de buitenlandse studieperiode, het aantal gegadigden en het land dat wordt bezocht. Studenten krijgen meestal een maandelijkse toelage plus een reiskostenvergoeding. Erasmusbeurzen zijn bedoeld als tegemoetkoming in extra kosten, die het gevolg zijn van een studie in het buitenland (bijvoorbeeld taalvoorbereiding en reiskosten).

Wie een rijkstoelage krijgt, houdt die ook gedurende de buitenlandse studie.


Zijn er nadelige gevolgen voor de studie in Nederland?

Nee. Een studie in het buitenland vergt weliswaar de nodige voorbereidingstijd en inspanningen, maar de resultaten tellen mee in het Nederlandse studieprogramma.


Hoe vraag je een Erasmusbeurs aan?

Studenten die willen weten welke mogelijkheden er zijn, moeten voor inlichtingen daarover bij hun instelling zijn. Studenten kunnen alleen een beurs krijgen wanneer hun universiteit of hogeschool samenwerkingsverbanden met EG-partners heeft gesloten. De eigen docenten en bureaus buitenland of studentendecanen zijn meestal op de hoogte van de mogelijkheden.


'Stir', voor studie en stage in het buitenland


Sinds het studiejaar 1988-'89 stelt het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geld beschikbaar voor internationalisering van het hoger onderwijs. Er zijn met name beurzen voor studentenuitwisseling. In 1990 was daarvoor 8 miljoen gulden beschikbaar (in de komende jaren aanzienlijk meer). Deze Stir (Stimuleringsprogramma voor internationalisering van het hoger onderwijs)-fondsen zijn bedoeld als 'aanjaagpremie', om extra vaart te zetten achter de Nederlandse internationalisering en om initiatieven van onderwijsinstellingen te stimuleren.

Stir-beurzen zijn beschikbaar voor studies, voor zover die niet via Comett-, Lingua- of Erasmusprogramma's in aanmerking komen, en voor stages.

Voor HBO-studenten zijn die voorwaarden iets minder strikt wanneer het gaat om een stage binnen de EG. Stir-beurzen worden, in tegenstelling tot die van Erasmus, Lingua, of Comett, ook verstrekt voor uitwisselingen met landen buiten de EG.


Voor wie?

Voor studenten die een opleiding volgen aan een Nederlandse hogeschool of universiteit, die in principe recht hebben op een basisbeurs en nog niet eerder een Stir-toelage hebben ontvangen. Stir subsidieert ook stages binnen de EG.


Hoe lang kun je naar het buitenland?

Stir-toelagen worden verstrekt voor een studie of stage, variërend van een maand tot een academisch jaar.


Hoe hoog zijn de beurzen?

De hoogte van een Stir-beurs is afhankelijk van de buitenlandse studieperiode, het aantal gegadigden en het land dat wordt bezocht. Tot nu toe kregen studenten een maandelijkse toelage plus een reiskostenvergoeding. Stir-beurzen zijn bedoeld als tegemoetkoming in extra kosten, die het gevolg zijn van studeren in het buitenland (bijvoorbeeld taalvoorbereiding en reiskosten). Wie een studietoelage krijgt, houdt die ook gedurende de buitenlandse studie.


Zijn er nadelige gevolgen voor de studie in Nederland?

Nee. Ook voor Stir-beurzen geldt dat de eigen instelling de gevolgde studie of stage moet erkennen als een onderdeel van het Nederlandse studieprogramma.


Hoe vraag je een Stir-toelage aan?

Studenten die willen weten welke mogelijkheden er zijn, moeten voor inlichtingen daarover bij hun eigen universiteit of hogeschool zijn. De eigen docenten en bureaus buitenland of studentendecanen zijn meestal op de hoogte van de mogelijkheden.


Beantwoord vraag 36 tot en met 40 met behulp van de tekst 'Erasmus/Stir' (pagina 22).


36. Een student wil een stage in het buitenland lopen.

Welke beurs kan hij hiervoor aanvragen?

A De Erasmusbeurs.

B De Stirbeurs.


37. Bij welke beurs is de minimale tijd die een student in het buitenland moet verblijven, het kortst?

A Bij de Erasmusbeurs.

B Bij de Stirbeurs.


38. Welke studenten kunnen geen Erasmusbeurs krijgen?

A Eerstejaars studenten.

B Studenten aan hogescholen.

C Studenten die al eerder een Erasmusbeurs hebben ontvangen.


39. Stopt de studietoelage van de Nederlandse regering tijdelijk in de periode dat men een toelage krijgt in het kader van de Erasmusbeurs?

A Ja.

B Nee.


40. Kan een stage in het buitenland gelden als onderdeel van een Nederlands studieprogramma?

A Ja.

B Nee.


SPREKEN(KONUSMAK) SORULARI==>


Instructie


- Uw antwoorden bij de opdrachten in dit deel moeten kort zijn. Soms zijn enkele woorden al genoeg, soms moet u één of twee zinnen zeggen. U hebt hier twintig seconden spreektijd.


- Soms staan er plaatjes of een stukje tekst bij een opdracht. Voor het bekijken van deze extra informatie krijgt u steeds vijf seconden de tijd. Een pieptoon geeft aan dat u moet beginnen met spreken.


- Er volgt nu eerst een voorbeeld. Luister goed. U hoeft nog niet te spreken.

Voorbeeld

In uw buurt hangt al een paar dagen een vieze lucht. Veel mensen in de buurt krijgen lichamelijke klachten. U hebt de politie gebeld en bent met hen in gesprek. Vertel de politie wat de klachten zijn. U hoort eerst de politie.


Opdracht 1

U neemt deel aan een vergadering op uw werk. U probeert al een tijd lang iets te zeggen, maar steeds begint iemand anders te praten. U vindt dat het nu uw beurt is om wat te zeggen. Wat zegt u?


***BURDA SIZE SORUYU OKUYOR. PIP SESINDEN SONRA DIGER PIP SESINE KADAR CEVAP VERMENIZ GEREKIYOR..!


Instructie


- Bij de opdrachten in dit deel wordt van u een langer antwoord verwacht. U hebt hier dertig seconden spreektijd.


- Soms staan er plaatjes of een stukje tekst bij een opdracht. U moet deze informatie gebruiken bij het geven van uw antwoord. In dit deel krijgt u altijd vijftien seconden de tijd om uw antwoord voor te bereiden. Een pieptoon geeft aan dat u moet beginnen met spreken.


- Er volgt nu eerst een voorbeeld. Luister goed. U hoeft nog niet te spreken.


Voorbeeld

U werkt in het magazijn van een groot installatiebedrijf en houdt daar de voorraden bij. Dit werk gebeurt nog met pen en papier.

Overtuig de bedrijfsleider van de noodzaak van de aanschaf van een computer voor uw werk. Geef ten minste twee redenen hiervoor. Bekijk eerst de gegevens in uw opgavenboekje. Begin na de pieptoon te spreken.


U kunt bij uw antwoord bijvoorbeeld gebruik maken van de volgende gegevens:

- tijd

- nauwkeurigheid

- gemak


Opdracht 3

U werkt als studie-adviseur op een middelbare school. Een havo-leerling komt bij u op het spreekuur. Hij wil later graag naar de universiteit, en hij wil van u weten wat de mogelijkheden zijn. Kijk naar het schema.


****BURDA SIZE YUKARDAKI METNI OKUYOR VE ASAGIDAKI SEMAYA BAKMANIZ SOYLUYOR. VE DAHA SONRA SEMANIN ALTINDAKI SORUYU TEKRAR OKUYOR, PIP SESINDEN SONRA CEVAP VERMENIZ GEREKIYOR



Luister naar de vraag van de leerling. Leg hem uit welke twee mogelijkheden hij heeft. Vertel hem ook hoe lang het duurt voordat hij op de universiteit kan beginnen.


Instructie


- Bij de opdracht in dit deel moet u langere tijd spreken. U hebt hier twee minuten

spreektijd.


- U krijgt van tevoren twee minuten de tijd om uw verhaal voor te bereiden. In die tijd bekijkt u de informatie in uw opgavenboekje en bedenkt u wat u wilt gaan zeggen.


- Een pieptoon geeft aan dat u moet beginnen met spreken.


- Bij dit deel is géén voorbeeld.


Opdracht 1

Het vliegverkeer is de laatste jaren sterk toegenomen. Daarom onderzoekt de Nederlandse overheid de mogelijkheden om de luchthaven Schiphol uit te breiden. Er zijn twee plannen gemaakt om uitbreiding van de luchthaven mogelijk te maken.


U studeert aan een technische universiteit. U houdt een presentatie over de toekomst van de Nederlandse luchtvaart. U legt uw medestudenten eerst uit welke twee mogelijkheden de overheid ziet om de luchthaven uit te breiden. U gaat daarbij ook in op de voor- en nadelen van beide mogelijkheden. Verder vertelt u welk plan u het beste vindt en waarom.

**** BURDA SIZE YUKARDAKI METNI OKUDUKTAN SONRA SORUYU SORUYOR. IKI DAKIKA DUSUNME VE OKUMA SURESINDEN VE PIPTEN SONRA CEVABI SOYLEMENIZ GEREKIYOR..!


uitbreiding in zee

(eiland voor de kust)


- bouwkosten: 15 miljard euro

- geluidsoverlast: nee

- onteigening/afbraak van huizen: nee

- veiligheidsproblemen: klein

- aanlegtijd: 10 jaar

uitbreiding op huidige locatie

(drie extra banen)


- bouwkosten: 4 miljard euro

- geluidsoverlast: ja

- onteigening/afbraak van huizen: ja

- veiligheidsproblemen: groot

- aanlegtijd: 5 jaar




Het is belangrijk:

- dat u de twee uitbreidingsmogelijkheden beschrijft,

- dat u de voordelen en nadelen van beide plannen bespreekt, en

- dat u vertelt welk plan uw voorkeur heeft en waarom.

Alleen dan kunt u namelijk het volle aantal punten voor deze opdracht krijgen.


U krijgt nu eerst twee minuten de tijd om te bedenken wat u tegen uw medestudenten gaat zeggen. Bekijk in die tijd ook de bovenstaande informatie. Begin na de pieptoon te spreken.


LUISTEREN(DINLEMEK) SORUSU==>


Voorlichting over glas


U gaat luisteren naar voorlichting over glas. De directeur van het glasmuseum in Hoogeveen, Cees van Olst, vertelt onder andere hoe glas gemaakt wordt en wat je allemaal met glas kunt doen.U hoort eerst een inleiding van Cees van Olst. In de inleiding vertelt hij hoe er werd ontdekt hoe je glas kunt maken en van welke grondstoffen. Hierbij is nog geen opgave.


***BURDA SIZE YUKARDAKI METNI OKUYOR.. VE BI SAHSIN SIZE CAM HAKKINDA BILGI VERECEGINI SOYLUYOR..!


Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 1 goed door.


1. Wat vertelt Cees van Olst over glassoorten?

A Elke glassoort kan makkelijk omgezet worden in een andere soort.

B Er bestaat één soort glas en die kun je overal voor gebruiken.

C Glassoorten hebben dezelfde basis maar verschillende toevoegingen.


****BURDA SIZE BI SAHIS CAM HAKKINDA BILGI VERIYOR, SIZDE DUYDUGUNUZ BILGIYE BAKARAK YUKARDAKI SORUYU CEVALIYORSUNUZ..!


kolay gele
Voorbeeldexamens Programma II 2002-2003

Opgavenboekje Luisteren

Voorbeeldexamen

Tijdsduur ± 70 minuten


Examennummer kandidaat:


Onderdeel A


Een interview met een filmmaker


U gaat luisteren naar een interview met Jan-Willem de Kok. Hij maakt films voor de televisie en voorlichtingsfilms voor bedrijven. Het interview gaat eerst over de films die hij maakt, daarna spreekt Jan-Willem over de Nederlandse televisie. Hij heeft het dan onder andere over de publieke omroepen, zoals bijvoorbeeld de NOS die het journaal uitzendt. Deze publieke omroepen worden vooral betaald door de Nederlandse overheid, de commerciële omroepen zoals RTL4 en 5 moeten zelf voor hun inkomsten zorgen. Jan-Willem de Kok stelt zich eerst even voor. Hierbij is nog geen opgave. U hoort nu eerst een voorbeeld. Het antwoord op de voorbeeldopgave hoeft u niet op uw antwoordblad aan te geven. Lees nu eerst de voorbeeldopgave goed door. Voorbeeld Wat zegt Jan-Willem de Kok hier over films die hij maakt voor bedrijven? A Die films bevatten meestal een reclame-element. B Die films worden soms ook door de televisie uitgezonden. C Die films zijn gericht op een geselecteerd publiek. In het voorbeeld vertelt Jan-Willem de Kok dat hij voor bedrijven films voor een geselecteerd publiek maakt. Antwoord C is dus het goede antwoord. Let op: bij de volgende opgaven is de pauze na het fragment veel langer dan bij de voorbeeldopgave. U moet dan in dezelfde pauze de opgave bij dat stukje tekst beantwoorden en de volgende opgave lezen. Dan begint nu de toets. Lees eerst opgave 1 goed door.


1 Wat zegt Jan-Willem de Kok hier over het medium film?


A Een film bereikt veel meer mensen dan een boek.

B Een film is een efficiënt communicatiemiddel.

C Het kost relatief weinig tijd om een film te maken.


2 Waarom heeft Jan-Willem de Kok de opdracht van Holland Signaal geweigerd?


A Het onderwerp sprak hem niet aan.

B Het was onduidelijk voor welke doelgroep de film bedoeld was.

C Hij begreep te weinig van het onderwerp.


3 Waarom is het volgens Jan-Willem de Kok moeilijk films voor politieke partijen te maken?


A In zo'n film moeten veel verschillende onderwerpen aan bod komen.

B Zo'n film kost vaak meer geld dan een partij ervoor gereserveerd heeft.

C Zo'n film moet een hele tijd actueel blijven.


4 Wat zegt Jan-Willem de Kok over TV-films van belangenorganisaties?


A Belangenorganisaties willen daarmee duidelijk maken wat ze doen.

B Vooral de gezondheidszorg heeft belangstelling voor TV-films.

C Zulke TV-films geven vaak een te positief beeld van een organisatie.


5 Waarom zijn er volgens Jan-Willem de Kok zoveel programma's van belangenorganisaties op TV?


A Belangenorganisaties maken graag gebruik van de invloed van TV.

B Het maken van TV-programma's is voor organisaties steeds beter te betalen.

C Veel zendtijd op Nederland 1 is voor dit soort programma's gereserveerd.


6 Wat zegt Jan-Willem de Kok over de publieke omroep?


A Die heeft te weinig geld voor kwaliteitsprogramma's.

B Die is nodig om goede programma's voor een klein publiek te maken.

C Die zou een aparte zender voor kunstprogramma's moeten oprichten.


7 Wat vindt Jan-Willem de Kok van 'ellende-programma's' op TV?


A De publieke omroep hoort zulke programma's niet uit te zenden.

B De verschillende soorten omroepen moeten afspreken wie ze moet uitzenden.

C Omroepen moeten ze uitzenden omdat veel mensen er graag naar kijken.


Een interview met een dierenarts


U gaat luisteren naar een interview met Ans de Klein. Zij is dierenarts en is vooral gespecialiseerd in de behandeling van huisdieren, ook wel gezelschapsdieren genoemd. Het gaat hierbij om dieren die mensen in huis hebben voor de gezelligheid. U hoort eerst een korte uitleg van de dierenarts over haar beroep. Hierbij is nog geen opgave. Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 8 goed door.


8 Wat vertelt Ans de Klein over diergeneeskunde in vergelijking met geneeskunde voor mensen?


A De diergeneeskunde kent andere specialismen.

B De diergeneeskunde leert veel van de geneeskunde voor mensen.

C De diergeneeskunde loopt op bepaalde punten vooruit.


9 Wat vertelt Ans de Klein over fretten als huisdier?


A Als ze de kans krijgen, gedragen ze zich weer als roofdier.

B Als ze goed verzorgd worden, verdwijnt hun natuurlijke jachtinstinct.

C Het is opvallend hoe goed kinderen met zulke roofdieren om kunnen gaan.


10 Wat vindt Ans de Klein over maatregelen bij een slechte behandeling van dieren?


A Die hebben niet altijd het effect dat men bedoeld heeft.

B Die moeten streng zijn als de eigenaar weet dat hij verkeerd met dieren omgaat.

C Die zijn moeilijk te treffen als niet duidelijk is wie verantwoordelijk is.


11 Wat vertelt Ans de Klein over het opereren van dieren?


A Bij oudere dieren is opereren vaak niet meer zo zinvol.

B Bij oudere dieren treden vaak ernstige complicaties op.

C Doordat opereren vaker mogelijk is, worden dieren steeds ouder.


12 Wat vertelt Ans de Klein hier over het behandelen van dieren?


A De behandeling van dieren mag eerder stoppen dan die bij mensen.

B Het is moeilijk te zeggen hoeveel een dier lijdt onder een behandeling.

C Mensen wachten vaak te lang met het laten behandelen van hun dieren.


13 Wat vertelt Ans de Klein over de opvoeding van dieren?


A Dieren kunnen het beste door hun moeder opgevoed worden.

B Het karakter van dieren geeft aan wat de beste opvoeding is.

C Hoe dieren op jonge leeftijd opgevoed worden, bepaalt hun karakter.


14 Dieren worden soms behandeld met medicijnen voor mensen. Wat zegt Ans de Klein hierover?


A Die medicijnen kunnen bij dieren een ander effect hebben dan bij mensen.

B Die medicijnen zijn in principe ongeschikt voor dieren.

C Die medicijnen zijn vaak onvoldoende onderzocht voor gebruik bij dieren.


15 Wat zegt Ans de Klein over haar beroep?


A Het beroep dierenarts heeft nu een andere inhoud dan vroeger.

B Het beroep dierenarts is nu voor iedereen toegankelijk.

C Het beroep dierenarts spreekt mensen erg aan.


Einde onderdeel A. Doe uw boekje dicht. Uw antwoordblad wordt nu opgehaald.


Onderdeel B


Een interview met een apotheker


U gaat luisteren naar een interview met André Wissenburg. Hij is apotheker en werkt in een zogenaamde SAL-apotheek. SAL betekent Stichting Apothekers in Loondienst en dat houdt in dat hij niet als zelfstandig apotheker werkt, maar in dienst van de stichting. Voordat André bij SAL ging werken, is hij in ontwikkelingslanden in Afrika en Midden-Amerika werkzaam geweest. U hoort eerst hoe André Wissenburg zich voorstelt. Hierbij is nog geen opgave. Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 1 goed door.


1 Wat voor werk deed André Wissenburg in ontwikkelingslanden?


A Hij gaf daar informatie over geneesmiddelen.

B Hij heeft daar meegewerkt aan een opleiding voor verpleegkundigen.

C Hij onderzocht daar de markt voor geneesmiddelen.


2 Wat zegt André Wissenburg over geneesmiddelen die naar ontwikkelingslanden verstuurd worden?


A Daarvan moet het gebruik in elk land gecontroleerd kunnen worden.

B Die moeten geschikt zijn voor grote groepen mensen.

C Die moeten langdurig beschikbaar zijn.


3 Welke verantwoordelijkheid van een apotheker beschrijft André Wissenburg hier?


A Het bepalen of geneesmiddelen in orde zijn.

B Het bewust maken van de gevaren van het gebruik van geneesmiddelen.

C Het informeren van patiënten zodat ze begrijpen wat hen voorgeschreven is.


4 Wat zegt André Wissenburg over huisartsen?


A Ze schrijven vaak meer recepten voor dan specialisten.

B Ze weten vaak niet welke andere geneesmiddelen iemand gebruikt.

C Ze weten vaak weinig van de nieuwste geneesmiddelen.


5 Wat vertelt André Wissenburg hier over geneesmiddelen?


A Hoe belangrijk onderzoek naar het maken van goedkope geneesmiddelen is.

B Hoe duur het produceren van sommige geneesmiddelen is.

C Welke zaken de prijs van een geneesmiddel vooral bepalen.


6 Wat zegt André Wissenburg over bijsluiters van geneesmiddelen?


A Die moeten gericht zijn op de patiënten.

B Die worden door de patiënten vaak slecht gelezen.

C Die zijn minstens zo belangrijk voor de apotheker als voor de patiënt.


7 Hoe staat André Wissenburg tegenover het stellen van vragen door patiënten?


A Hij beantwoordt ze graag zolang het niet te veel telefonisch gebeurt.

B Hij laat patiënten merken dat hij open staat voor hun vragen.

C Hij maakt patiënten duidelijk dat ze sommige vragen beter aan de huisarts kunnen stellen.


8 Wat zegt André Wissenburg over homeopathische geneesmiddelen?


A Het gebruik ervan heeft misschien geen effect maar ze zijn niet gevaarlijk.

B Het onderzoek naar de werking ervan levert tegenstrijdige resultaten op.

C Men probeert er geld mee te verdienen terwijl ze volgens hem niet werken.


9 Wat zegt André Wissenburg over de eigen productie van geneesmiddelen?


A Apothekers spelen een belangrijke rol bij het zoeken naar nieuwe geneesmiddelen.

B Slechts in een aantal gevallen heeft productie door de apotheker nog zin.

C Voor de eigen productie van geneesmiddelen komen steeds strengere voorschriften.


10 Wat zegt André Wissenburg over ‘zelfzorg’-geneesmiddelen die je bij de drogist kunt kopen?


A Hij vindt dat drogisten daar heel goed over kunnen adviseren.

B Hij vindt het jammer dat apothekers die onvoldoende aangeboden hebben.

C Hij vindt het niet goed dat die zonder recept verkrijgbaar zijn.


11 Wat zegt André Wissenburg over de rol van de apotheker in de toekomst?


A Apothekers moeten opletten dat ze niet te veel als huisarts gaan optreden.

B Apothekers moeten zorgen dat huisartsen het belang van hun adviezen inzien.

C Apothekers zullen eerder minder dan meer verantwoordelijkheid krijgen.


Een radioprogramma over namen


U gaat luisteren naar een radioprogramma over namen. Gast in de studio is Rob Rentenaar, hij is professor in de naamkunde. De naamkunde probeert de betekenis van namen te achterhalen. Het gaat dan niet alleen om de namen van mensen, maar ook om de namen van steden, rivieren enzovoorts. U hoort eerst het begin van het programma. Hierbij is nog geen opgave. Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 12 goed door.

Bron: Teleac/NOT, Faros


12 Over welk aspect van de naamkunde spreekt professor Rentenaar hier?


A Iedere cultuur geeft op zijn eigen manier namen.

B Namen kunnen informatie geven over vroeger.

C Zonder namen hebben dingen geen betekenis.


13 Wat vertelt professor Rentenaar over plaatsnamen?


A De herkomst van een plaatsnaam is soms niet meer te verklaren.

B Met de komst van nieuwe bewoners werden plaatsnamen vaak veranderd.

C Plaatsnamen werden vaak gebaseerd op kenmerken van het landschap.


14 Waarom is Zierikzee volgens professor Rentenaar genoemd naar meneer Zierik?


A De familie van meneer Zierik woonde daar al heel lang.

B Meneer Zierik had daar een ongeluk gehad.

C Meneer Zierik had daar veel eigendommen.


15 Wat gebeurde er in de negentiende eeuw met familienamen?


A Die kon men toen voor veel geld kopen.

B Die moesten toen gebaseerd worden op een woonplaats.

C Die werden toen officieel vastgelegd.


Einde onderdeel B. Doe uw boekje dicht. Uw antwoordblad wordt nu opgehaald.


Onderdeel C


Radioprogramma over een uitspraakwoordenboek


U gaat luisteren naar een radioprogramma over een uitspraakwoordenboek. Gast in het programma is Wim Zonneveld die bezig is met de ontwikkeling van dit woordenboek. Daarnaast is er een panel van deskundigen dat praat over het uitspraakwoordenboek. U hoort eerst hoe de presentatrice het programma begint. Hierbij is nog geen opgave. Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 1 goed door.

Bron: NPS, Wat een taal


1 Waarom maakt Zonneveld een uitspraakwoordenboek?


A De bestaande uitspraakwoordenboeken zijn alleen bedoeld voor Neerlandici.

B De bestaande uitspraakwoordenboeken zijn wat verouderd en niet meer te krijgen.

C De uitspraak van het Nederlands is de laatste jaren nogal veranderd.


2 Over welk verschil met vroeger spreekt Zonneveld?


A Een verschil in de hoeveelheid informatie die het woordenboek geeft.

B Een verschil in de hulpmiddelen om een woordenboek mee te maken.

C Een verschil in de tijd die het kost om een woordenboek te maken.


3 Wat vindt Dana van het uitspraakwoordenboek?


A Ze vindt dat uitspraak in een gewoon woordenboek opgenomen moet worden.

B Ze vindt het goed dat eindelijk het Engelse voorbeeld wordt gevolgd.

C Ze vindt het woordenboek handig voor moedertaalsprekers en voor buitenlanders.


4 Waarom staat de uitspraak van woorden niet in gewone woordenboeken?


A Omdat de belangstelling voor uitspraak beperkt is.

B Omdat die woordenboeken alleen bedoeld zijn voor betekenissen.

C Omdat informatie over uitspraak vaak te veel ruimte zou innemen.


5 Welk soort uitspraak kun je in het uitspraakwoordenboek vinden?


A De uitspraak die behoort tot het officiële Nederlandse taalgebruik.

B De uitspraak die het makkelijkst te leren is.

C De uitspraak die voor de meeste Nederlanders duidelijk is.


Een discussie over sport


U gaat luisteren naar een radioprogramma over sport. Gast in dit programma is Jos Geukers, hij werkt bij de sportorganisatie NOC/NSF. Daarnaast hoort u enkele mensen die opbellen naar dit programma om hun mening te geven over het besteden van geld aan sportvoorzieningen. U hoort eerst een korte introductie van het programma. Hierbij is nog geen opgave. Dan gaat de toets nu verder. Lees eerst opgave 6 goed door.


6 Wat zegt Jos Geukers over het extra geld van de overheid voor sport?


A Dat is bestemd voor alle vormen van sportbeoefening.

B Dat is vooral nodig voor het opzetten van nieuwe sportvoorzieningen.

C Dat wordt gebruikt om minder populaire sporten meer aandacht te geven.


7 Wat zegt Jos Geukers hier over de rol van zijn organisatie NOC/NSF?


A Die controleert de besteding van het overheidsgeld.

B Die geeft beleidsadviezen aan sportorganisaties.

C Die onderzoekt waar extra geld voor sport nodig is.


8 Wat zegt Jos Geukers over vrijwilligerswerk?


A De vrijwilligers zouden een eigen belangenorganisatie moeten hebben.

B Er zijn verschillende manieren om het enthousiasme voor vrijwilligerswerk te vergroten.

C Overheidsmaatregelen zijn financieel gezien vaak ongunstig voor vrijwilligerswerk.


9 Welke mening heeft meneer De Klein?


A Een groter deel van het onderwijsbudget moet besteed worden aan sport.

B Er profiteren veel te weinig clubs van de overheidssubsidies.

C Mensen die willen sporten moeten bereid zijn daarvoor zelf te betalen.


10 Wat zegt mevrouw Mulder over sport?


A De overheid moet sportclubs verplichten hun lidmaatschap duurder te maken.

B Er moet nog meer geld naar de sport vanwege het maatschappelijk belang ervan.

C Het plezier in sporten wordt niet verhoogd door extra subsidies.


Einde onderdeel C. Einde van het examen Luisteren II. Doe uw boekje dicht. Uw antwoordblad en boekje worden nu opgehaald.


http://www.expertisecentrumnt2.nl/staat/asp/voorbereiden-voorbeelden-p2-2.asp


Voorbeeldexamens Programma II 2001-2002

http://www.expertisecentrumnt2.nl/staat/asp/voorbereiden-voorbeelden-p2.asp

Yorum Yaz

Yorum yazmak için üye girişi yapmanız gerekiyor.

Giriş Yap Üye Ol