Persoonlijke voornaamwoorden (sahiz zamirleri)


Enkelvoud Meervoud

Tekil Cogul



ik wij

we


je jullie

jij jullie

u u


hij ze

zij


ze ze

zij zij


het ze

zij


Voorbeelden:


Enkelvoud


-Ik ben er.

-Je bent vroeg.

-Ze is er ook.

-Hij praat snel.

-Hij start niet. Het is mijn auto.

-Het komt wel goed.


Meervoud

-We zijn kort.

-Jullie gaan vaak samen tennissen.

-Ze zijn er niet. Ze lopen in het park.


Persoonlijke voornaamwoorden die het onderwerp niet zijn (zoals hem of mij ) worden zo gebruikt:

(onu ya da benim gibi)(hem of mij )



-Ik ken hem.

-Peter zag mij.

-Hij zag mij.

-Het is ons overkomen.


Persoonlijke voornaamwoorden :

Enkelvoud


ik me

mij


jij jou

je je

u u


hij hem


zij haar


Meervoud (cogul)

wij ons


jullie jullie

u u


ze hen

zij


ze hun

zij


Voorbeelden:


enkelvoud tekil



-De bakker vertelde het aan me.

-De bakker vertelde het aan mij.

-De bakker vertelde het aan jou.

-De bakker vertelde het aan je.

-De bakker vertelde het aan u.

-De bakker vertelde het aan hem.

-De bakker vertelde het aan haar.


meervoud cogul


-De bakker vertelde het aan ons.

-De bakker vertelde het aan jullie.

-De bakker vertelde het aan u.

-De bakker vertelde het aan hen.

-De bakker vertelde het hun.


Enkelvoud tekil


-Doe het voor mij.

-Ik denk aan jou.

-Dat is vriendelijk van u, mevrouw.

-Zeg het tegen hem.

-Het boek is door haar geschreven.


Meervoud cogul


-Wie herkent ons in dit dorp?

-Wat er in die doos zit is voor jullie allemaal.

-Meneer en mevrouw Kuiper, die stoelen zijn voor u.

-Ik ben door hen uitgenodigd.

-De bakker gaf hun de broden.


-Wat vertelde hij? -Hij vertelde het.

-Wat vertelde hij? -Hij vertelde waar ik woon.

-Wie begreep hij? -Hen.

-Wie belde hij op? -Hen.

-Wie zag hij? -Hen.

-Wat gaf hij? -De broden.

-Wat legde hij uit? -Het recept.