Een vraag kan met een vragend voornaamwoord beginnen;

Bir soru bir soru zamiri ile başlayabilir;



-Wie ben ik?

-Wie ben je?

-Wie ben jij?

-Wie bent u?

-Wie is dat?

-Wie zijn dat?

-Wat is dat?

-Wat is er kapot?

-Welk perron hebt u genoemd?

-Welke trein hebt u genoemd?

-Wat voor een apparaat is dat?

-Wie zijn apparaat is dat? .


Enkelvoud Tekil;

ik me


je je

u u (zich)


hij zich

zij zich

het zich


Meervoud Cogul ;

we ons


jullie je

u u(zich)


ze zich


enkelvoud , tekil


-Ik was me.

-Je wast je.

-U wast u.

-U wast zich.

-Ze wast zich.

-Hij wast zich.

-Het wast zich.


meervoud , cogul


-We wassen ons.

-Jullie wassen je.

-U wast u.

-U wast zich.

-Ze wassen zich


-Ze wast zich.

-Ze heeft een baby. Ze wast haar.

-Ze heeft een baby. Ze wast hem.

-Ze wast haar baby.

-Ze heeft een tweeling. Ze wast hen.

-Ze wassen zich.

-We herinneren ons dat we dat lied zongen.


(zelf)mezelf, jezelf, zichzelf, kendimi, kendin, kendini,


-Ik was mezelf.

-Ze wast zichzelf.

-Ik bedoel mezelf niet, maar ik bedoel hem.

-Hij doet dat niet voor zichzelf, maar hij doet het voor haar.


-Hij gedraagt zich.

-Ik herinner me dat.

-Ik vergis me.

-Ze vergissen zich.

-Ze ergeren zich.

-Hij vraagt zich af.

-Hij haast zich.

-We bevinden ons nu in de grootste grot.

-Ze schamen zich.