Zijn tegenwoordige tijd ;
ik ben -(y)ım -(y)im -(y)um -(y)um
jij bent -sın -sin -sun -sun
hij/zij is -dır -dir -dur -dur
wij zijn -iz -iz -yuz -yuz
Jullie zijn/u bent -iniz -siniz -sunuz -sunuz
zij zijn -dirlar -dirler -durlar -durler
ik ben moe = yorgunum
jij bent moe = yorgunsun
hij/zij is moe =yorgun / yorgundur
wij zijn moe = yorgunuz
jullie zijn moe = yorgunsunuz
zij zijn moe = yorgundurlar
Ik ben niet moe = yorgun degilim.
Jij bent niet moe = yorgun degilsin.
..
Zijn in verleden tijd;
ik was -idim
jij was -idin
hij/zij was -idi
wij waren -idik
jullie waren -idiniz
u was -idiniz
zij waren -idiniz
Ik was rijk = zengindim Ik was niet rijk = zengin degildim
Ik was moe = yorgundum Ik was niet moe = yorgun degildim
Ik was ziek = hastaydim Ik was niet ziek = hasta degildim
Bezitsvormen;
mijn benim
jouw senin
zijn(man) onun
haar (vrouw) onun
ons/onze bizim
jullie sizin
hun onlarin
mijn huis = evim
jouw huis = evin
zijn/haar huis = evi
ons huis = evimiz
jullie/uw huis = eviniz
hun huis = evleri
Hebben;
Ik heb
jij hebt
hij/zij heeft
u heeft/hebt
we/wij hebben
jullie hebben
ze/zij hebben
Ik heb een huis =evim var Ik heb geen huis =evim yok
Ik heb geld =param var Ik heb geen geld =param yok
ik heb tijd =zamanim var Ik heb geen tijd = zamanim yok
Hij heeft een auto =arabasi var Hij heeft geen auto =arabasi yok
Hebben in verleden tijd;
-vardi
Ik had een huis=evim vardi Ik had geen huis=evim yoktu
Ik had geld=param vardi ...
Ik had tijd=zamanim vardi
Er is/zijn;
Er is telefoon voor jou ; sana telefon var
Er is een brief voor mij ; bana bir mektup var
Er zijn veel mensen op straat ; sokakta bir cok insan var
Er is/zijn geen;
Er is geen brief voor mij ; bana mektup yok
Er is geen thee ; cay yok
Er was/waren;
Er was telefoon voor jou ; Sana telefon vardi
Er was een brief voor mij ;Bana bir mektup vardi
Zijn-Hebben
Ik = mijn =van mij
Jij = jouw = van jou
u = uw = van u
hij = zijn = van hem
zijn = haar =van haar
wij = ons/onze = van ons
jullie = jullie = van jullie
ze/zij = hun =van hen/hun
Ik zoek mijn jas.
Jij zoekt jouw jas.
Hij zoekt zijn jas.
Zij zoekt haar jas.
Wij zoeken ons/onze jassen.
Jullie zoeken jullie jassen.
Zij zoeken hun/hen jassen
Het boek is van mij ?
Welk boek is van jouw?
Dit boek is van hem?
De tv is van haar.
De auto is van ons.
Het huis is van ons.
Jij = jouw = van jou
u = uw = van u
hij = zijn = van hem
zijn = haar =van haar
wij = ons/onze = van ons
jullie = jullie = van jullie
ze/zij = hun =van hen/hun
Ik zoek mijn jas.
Jij zoekt jouw jas.
Hij zoekt zijn jas.
Zij zoekt haar jas.
Wij zoeken ons/onze jassen.
Jullie zoeken jullie jassen.
Zij zoeken hun/hen jassen
Het boek is van mij ?
Welk boek is van jouw?
Dit boek is van hem?
De tv is van haar.
De auto is van ons.
Het huis is van ons.
Çok yararlı bir paylaşım,emeğine sağlık kardeş :ugeek:
Yorum Yaz
Giriş Yap Üye Ol