lijst met tegenstellingen
1. aangenaam – onaangenaam
2. aanwezig – afwezig
3. aardig – onaardig
4. actief – passief
5. altijd – nooit
6. andere – dezelfde
7. arm – rijk
8. bang – dapper
9. bekend – onbekend
10. beleefd – onbeleefd
11. beter – slechter
12. bewust – onbewust
15. binnen – buiten
16. blij – verdrietig
18. bot – scherp
20. boven – beneden
21. breed – smal
22. daarna – daarvoor
23. dag – nacht
24. dapper – laf
25. dicht – open
26. dichtbij – veraf
27. diep – ondiep
28. dik – dun
30. donker – licht
31. droog – nat
32. druk – stil
33. duur – goedkoop
34. echt – onecht
35. eenvoudig – ingewikkeld
36. eerlijk – oneerlijk
37. eerste – laatste
38. ergens – nergens
39. even – oneven
40. expres – per ongeluk
41. fijn – grof
43. geduldig – ongeduldig
45. gelijk – ongelijk
46. geschikt – ongeschikt
47. gewoon – ongewoon
48. gezond – ongezond
49. gierig – gul
50. oorlog - vrede
51. glanzend – dof
52. goed – fout
53. goed – slecht
54. goedkoop – duur
55. groot – klein
56. haat – liefde
57. half – heel
58. handig – onhandig
59. hard – zacht
60. heel – stuk
61. heen - terug
62. heet – koud
64. hier – daar
65. hierna – hiervoor
66. hoog – laag
67. horizontaal – verticaal
68. houden van – haten
69. iets – niets
70. interessant – saai
71. ja - nee
72. jong – oud
73. juist – onjuist
74. kapot - heel
75. klein – groot
76. knap – dom
77. kort - lang
78. koud – warm
79. laag – hoog
80. langzaam – snel
81. later – vroeger
82. leeg – vol
83. lekker – vies
84. lelijk – mooi
85. leuk – vervelend
86. leven – dood
87. licht – donker
88. licht – zwaar
89. links - rechts
90. los – vast
91. lui – ijverig
92. makkelijk – moeilijk
93. mals – taai
94. mannelijk – vrouwelijk
95. maximaal – minimaal
96. meer – minder
97. meest – minst
98. min – plus
99. modern – ouderwets
100. moeilijk – makkelijk
101. mogelijk – onmogelijk
102. mooi – lelijk
103. nacht – dag
104. nat – droog
105. netjes – rommelig
106. niet – wel
107. nieuw – oud
108. nodig – onnodig
109. nooit – altijd
110. noord – zuid
111. normaal – abnormaal
113. nu – straks
115. omhoog – omlaag
116. oost – west
117. op tijd – te laat
118. open – dicht
119. openbaar – privé
121. oud – jong
122. oud – nieuw
123. overdag – ’s nachts
124. plus – min
125. precies – ongeveer
126. raak – mis
127. recht – krom
129. rond – vierkant
130. samen – alleen
132. scherp – bot
133. schoon – vuil
134. schuldig – onschuldig
135. slap – stijf
136. slim – dom
137. slordig – netjes
138. lekker - vies
139. smal – breed
140. soms – altijd
141. sterk – zwak
142. stout – lief
143. strak – los
145. toekomst – verleden
146. vandaag – morgen
147. veel – weinig
148. verdrietig – blij
149. verleden – toekomst
150. vers – oudbakken
151. verstandig – onverstandig
152. vet – mager
153. vlug – langzaam
154. vol – leeg
155. voor – tegen
156. voorzichtig – onvoorzichtig
157. vorige – volgende
158. vriendelijk – onvriendelijk
159. vroeg – laat
160. vroeger – later
161. vuil – schoon
163. warm - koud
164. weinig – veel
166. wijs – dom
167. zacht – hard
168. zeker – onzeker
170. ziek – gezond
171. zoet – zuur
172. zon – maan
173. zwaar – licht
174. zwak – sterk
1. achternaam – voornaam
2. alles – niets
3. arm - been
4. begin - einde
5. binnenkant – buitenkant
6. binnenland – buitenland
7. broer – zus
8. dag – nacht
9. dames - heren
10. dood – leven
11. dorp – stad
12. geluk – ongeluk
13. hand – voet
14. honger – dorst
15. iemand – niemand
16. iets – niets
17. ingang – uitgang
18. kind – volwassene
19. lawaai – stilte
20. lengte – breedte
21. liefde - haat
22. man – vrouw
23. meneer - mevrouw
24. nacht – dag
25. neef – nicht
26. ochtend – avond
27. onderkant – bovenkant
28. oom – tante
29. oorlog – vrede
30. opa – oma
32. ouders - kinderen
34. succes - mislukking
35. voordeel – nadeel
36. voorjaar – najaar
37. voorkant – achterkant
38. vraag – antwoord
39. vriend – vijand
40. winst – verlies
41. winter - zomer
42. zon – maan
43. zon – schaduw
44. zonsopgang – zonsondergang
46. aandoen – uitdoen
47. aankleden – uitkleden
48. beginnen – stoppen
50. branden – blussen
51. delen – vermenigvuldigen
52. drijven – zinken
53. eten – drinken
54. geven – krijgen
55. groeien – krimpen
57. inpakken – uitpakken
58. komen - gaan
59. kopen – verkopen
60. leven – sterven
61. lukken – mislukken
62. onthouden - vergeten
63. openen – sluiten
64. optellen – aftrekken
65. praten – zwijgen
66. slagen – zakken
67. slapen – wakker zijn
68. staan – zitten
69. stijgen - dalen
70. stoppen – doorgaan
71. trouwen - scheiden
72. uitdoen - aandoen
73. vergeten – herinneren
74. verhogen – verlagen
76. vinden – verliezen
77. vriezen – dooien
78. winnen – verliezen
79. zitten – staan
1. aan - uit
2. achter – voor
3. binnen – buiten
4. boven – beneden
5. boven - onder
6. dichtbij – veraf
7. in – uit
8. op – af
9. op – onder
10. uit – in
11. voor - na
Groot - klein
Koud - Warm
Hard - zacht
Heet - koud
Arm - rijk
Mooi - lelijk
Duur - goedkoop
Licht - zwaar
Dik - dun
Hoog - laag
Oud - jong
Achter - voor
Rustig - druk
Makkelijk - moeilijk
Druk - rustig
Lang - kort
Nat - droog
Vandaag - morgen
Gisteren - vandaag
Vader - moeder
Nee - ja
Niet - wel
Goed - slecht
Goed - fout
Veel - weinig
Rechts - links
Protestant - katholiek
Laatste - eerste
Liefde - haat
Erna - ervoor
Voor - achter
Oorlog - vrede
Achterin - voorin
Verplicht - vrij
Jongen - meisje
Man - vrouw
Broer - zus
ZITLAR
güzel paylaşım eline sağlık arkadaşım ;)
sağol brrn abla ellerine sağlık indirme sorunu olan arkadaşlar buradan bakabilirler
kolay gelsin
kolay gelsin
eline saglik Brrnyksl,
kolay gele
kolay gele
Yorum Yaz
Giriş Yap Üye Ol